Heeft u vragen
035 - 64 24 838
06 - 288 70 427

EEN GIFTIG HAPJE

BPA, een giftige chemische stof die voorkomt in plastic en conservenblikken, duikt volgens nieuw onderzoek ook op in kindervoeding.

Bisfenol A (BPA) is een hormoonverstorende chemische stof uit plastic die zich ook schuilhoudt in populaire blikvoeding voor kinderen. Een nieuw Amerikaans onderzoek kwam met dit alarmerende bericht.
Om de consument bewust te maken van dit risico heeft het San Francisco Breast Cancer Fund (BCF) twaalf soorten speciaal voor kinderen bestemde blikvoeding uit de Amerikaanse supermarkten op BPA getest omdat bekend is dat dit kan weglekken uit de bekleding van de binnenkant van de blikken en in het voedsel terechtkomen. Zij stelden vast dat alle genomen monsters een meetbare hoeveelheid BPA bevatten. De grootste hoeveelheid werd gevonden in de Amerikaanse merken Campbell’s Disney Princess en Toy Story-soepen1.

Hoewel het monster maar klein was en het onderzoek zich beperkte tot Amerikaanse producten wijzen recente onderzoeken erop dat BPA-vervuiling een mondiaal probleem is. Kinderen overal ter wereld zouden dagelijks een mogelijk giftige hoeveelheid van deze chemische stof kunnen binnenkrijgen. Zelfs minieme hoeveelheden zijn al in verband gebracht met veel gezondheidseffecten, waaronder abnormale ontwikkeling van de voortplantingsorganen, agressief gedrag en bepaalde vormen van kanker.

In het onderzoek van het BCF waren steeds twee blikjes van zes verschillende blikmaaltijden − soep, ravioli of noodles − aan een onafhankelijk laboratorium toegestuurd ter analyse. Alle producten waren gekocht uit het gangbare winkelassortiment bij regionaal bekende supermarkten in de San Francisco Bay Area en het grootstedelijk gebied van Milwaukee (Wisconsin). Alle producten waren royaal binnen de uiterste houdbaarheidstermijn. De resultaten lieten BPA-gehalten zien die uiteenliepen van 10 tot 148 deeltjes per miljard (ppb), met een gemiddelde van 49 ppb. Toen het BCF recentelijk een overzicht van eerdere BPA-studies in Amerika en Canada analyseerde, die in totaal bijna 700 voedingsmiddelen en dranken omvatte, werden soortgelijke uitkomsten gevonden1. Daarbij werd in soepen een gemiddelde van 69 ppb gevonden en in maaltijden gemiddeld 36 ppb. In het eerdergenoemde rapport was het gemiddelde voor soepen 77,5 ppb en voor maaltijden 21 ppb. De milieubeschermingsinstantie Environmental Protection Agency (EPA) hanteert als veiligheidsnorm een maximum van 50 ppb per dag.

De auteurs van het nieuwe rapport zijn van mening dat het BPA-gehalte dat in de kindervoeding werd aangetroffen reden tot zorg is. ‘Terwijl in een kinderportie al te veel zit, zou een volwassen portie voor een kind helemaal te veel BPA-blootstelling opleveren’. Daarbij wijzen ze erop dat de etiketten op de onderzochte blikken een dagelijkse hoeveelheid adviseerden die meer op volwassenen was afgestemd. Bovendien zou combinatie van meerdere ingeblikte producten − bijvoorbeeld groente plus fruit, wat vaak voorkomt − nog meer BPA opleveren.
Regelmatig meer dan één ingeblikt product op het menu zou kunnen leiden tot een BPA-gehalte met een scala aan gezondheidseffecten. Denk daarbij aan abnormale borstontwikkeling, een hoger risico op borstkanker en andere kankers, een negatief effect op de ontwikkeling van hersenen en voortplantingsorganen, evenals op de start van de puberteit, het lichaamsgewicht en het seksegedrag.

De gezondheidseffecten van BPA

De laatste tijd komt er steeds meer bewijs dat BPA een hormoonverstorende chemische stof is met schadelijke gevolgen voor het lichaam, zelfs bij minieme concentraties. Volgens de Amerikaanse gezondheids- en milieubelangenorganisatie Environmental Working Group (EWG) − die in eigen onderzoek vaststelde dat BPA in het grootste deel van de onderzochte blikvoeding zat – ‘… zijn er weinig chemicaliën die consequent zo’n scala aan schadelijke effecten bij zulke lage doseringen laten zien’.

In een recente analyse vonden de onderzoekers dr. Frederick vom Saal van de University of Missouri en dr. Claude Hughes van de Carolina University in North Carolina meer dan 90 studies die de giftigheid van BPA bij opvallend lage doses bevestigden. In 31 hiervan werden ‘significante effecten’ gezien bij blootstelling aan een zogenaamd ‘veilige’ of referentiedosis van 50 mcg/kg/dag. Aangezien het hier dieronderzoek betrof, hoeft deze conclusie overigens niet automatisch voor mensen te gelden.

Bij enkele van de laagste doses veroorzaakte BPA permanente veranderingen in borst- en prostaatcellen die tot kanker kunnen leiden, insulineresistentie (een kenmerk van diabetes type 2), chromosoomschade die samenhangt met herhaalde miskramen en een hele reeks geboorteafwijkingen − waaronder het syndroom van Down. De wetenschappers merkten ook op dat ‘groeisnelheid en seksuele rijping, hormoonspiegels in het bloed, functionering van voortplantingsorganen, vruchtbaarheid, immuunfunctie, enzymactiviteit, structuur en chemie van de hersenen en gedrag alle beïnvloed worden door blootstelling aan lage doses BPA’. Zij toonden dat aan bij een groot aantal proefdieren2.

Interessant is dat de traditionele toxicologie uitgaat van het principe dat de schadelijkheid toeneemt bij steeds hogere doseringen, maar BPA-onderzoek laat zien dat juist een lage dosis wel eens het meest schadelijk kan zijn. In één laboratoriumtest bleek een kleine hoeveelheid BPA 70 procent meer groei van prostaatkankercellen te veroorzaken dan hogere doses3. Een mogelijke verklaring zou zijn dat dergelijke kleine hoeveelheden niet worden opgemerkt door de ‘radar’ van het eigen ontgiftingssysteem van het lichaam en daardoor meer schade aanrichten.

BPA en kinderen

Een handvol onderzoeken bij mensen ondersteunt de alarmerende resultaten van proefdier- en laboratoriumonderzoek. Bij vrouwen is een hoger bloedgehalte BPA in verband gebracht met het polycystisch ovariumsyndroom (PCOS)4, herhaalde miskramen5, en complexe hyperplasie van de baarmoeder − waarbij het baarmoederslijmvlies is verdikt, wat algemeen beschouwd wordt als een voorloper van endometriumcarcinoom6. Bij mannen is BPA-blootstelling in verband gebracht met zwak sperma7.
Foetussen, zuigelingen en jonge kinderen zijn het meest kwetsbaar voor de toxiciteit van BPA. Hun nog ontwikkelende hersenen en andere organen zijn namelijk uiterst gevoelig voor blootstelling aan gif8. Iedere verstoring van hun hormonale systeem gedurende kritieke ontwikkelingsfasen kan permanente schade aanrichten, en ziekten in hun latere leven tot gevolg hebben.

Uit een van de laatste BPA-studies bleek dat bij de zoons van Chinese vrouwelijke arbeiders die tijdens de zwangerschap hadden blootgestaan aan BPA de afstand tussen scrotum en anus − ook wel anogenitale afstand (AGD) − kleiner was, vergeleken met degenen wier moeders hier niet aan blootgesteld waren. Een kleinere AGD heeft een relatie met onvruchtbaarheid en verminderde spermadichtheid en -kwaliteit9. De samenhang tussen BPA-blootstelling van de moeder en AGD was opvallend sterk en vertoonde een dosis-responsrelatie: hoe groter de blootstelling tijdens de zwangerschap, des te kleiner de AGD bij de zoon10. Volgens hoofdonderzoeker dr. D.K.Li ‘… wijst dit erop dat BPA de testosteronfunctie tijdens de foetale ontwikkeling verstoort, omdat een korte AGD een teken is van onderontwikkelde mannelijke genitaliën, waarschijnlijk ten gevolge van een abnormale testosteronfunctie’.

In een Amerikaans onderzoek werd een verband gelegd tussen BPA-blootstelling en gedrag in de vroege jeugd. De gegevens van 249 moeders en hun kinderen onthulden dat vrouwen die tijdens hun zwangerschap hogere concentraties BPA in hun urine hadden, meer kans hadden op een hyperactief en agressief kind op de leeftijd van twee jaar. De samenhang was vooral sterk bij meisjes, wier gedrag meer op dat van jongens van die leeftijd leek11.
BPA-blootstelling vroeg in het leven kan ook invloed hebben op het zich ontwikkelend immuunsysteem. Amerikaanse onderzoekers ontdekten dat het BPA-gehalte in de urine bij drie- en zevenjarigen een verband vertoont met een hoger risico op astma. Deze uitkomsten ondersteunen een eerder dierexperimenteel onderzoek waaruit bleek dat BPA-blootstelling van de moeder astma bij muizenbaby’s uitlokte12.

Alternatieven voor BPA

Dit verontrustende bewijs – vooral voor de effecten bij kinderen – was wereldwijd aanleiding voor een groot aantal overheidsinstanties om de verkoop van artikelen met BPA − zoals kinderspeelgoed, babyflessen en drinkbekers − te verbieden. Er bestaan echter geen richtlijnen voor het gebruik in conservenblikken.

BPA in de binnenbekleding van een blik vormt een afscheiding tussen het metaal en het voedsel, ter bescherming tegen bacteriën. Het laatste BCF-onderzoek laat echter zien dat BPA daaruit weglekt in het voedsel. Soortgelijke resultaten zijn gerapporteerd door de Amerikaanse Food and Drug Association (FDA), die onlangs meetbare hoeveelheden BPA ontdekte in 71 van de 78 populairste soorten blikgroente13.

Gelukkig zijn sommige fabrikanten inmiddels BPA gaan vervangen, of ten minste naar alternatieven aan het zoeken. Het Amerikaanse bedrijf Eden Foods bijvoorbeeld stopte in 1999 met het gebruik van BPA en gebruikt nu hetzelfde als lang vóór de introductie van deze stof. Deze bekleding is een emaille-achtig mengsel van olie en hars uit verschillende planten, zoals pijnboom en balsemspar.

Maar niet alle fabrikanten zijn zo openhartig over hun alternatieven. Zoals de BCF benadrukt: ‘Vervanging van de ene chemische stof – waarvan we weten dat hij gevaarlijk is – met een andere die onbekend en niet getest is, is niet de oplossing waar consumenten naar uitkijken.’

De veiligste oplossing is nog om blikvoedsel maar helemaal te vermijden en zo veel mogelijk vers voedsel te gebruiken. Een recent onderzoek van de BCF en het Silent Spring Institute in Newton, Massachusetts, onderzocht het effect van het compleet uitbannen van ingeblikt of in plastic verpakt voedsel op het lichaamsgehalte BPA. De deelnemers aten eerst zoals ze gewend waren, gevolgd door drie dagen uitsluitend vers voedsel, en gingen dan terug naar hun normale voedingspatroon.

Tijdens de versvoedselfase zakte hun BPA-gehalte met gemiddeld 66 procent. Ging men daarna weer eten zoals vroeger, dan steeg het BPA weer naar het oorspronkelijke niveau14.
Hieruit blijkt dat het eten van ingeblikt of in plastic verpakt voedsel een belangrijke bron van BPA-blootstelling is. Omschakeling naar verse voeding kan dit gezondheidsrisico dus helpen beperken.
Joanna Evans

  • http://www.breastcancerfund.org/big-picture-solutions/make-our-products-safe/cans-not-cancer/bpa-in-kids-canned-food.html
  • Environ Health Perspect, 2005; 113: 926-933 
  • Molec Cancer Ther, 2002; 1: 515-524
  • Endocr J, 2004; 51: 165-169
  • Hum Reprod, 2005; 20: 2325-2329
  • Endocr J, 2004; 51: 595-600
  • Zhonghua Lao Dong Wei Sheng Zhi Ye Bing Za Zhi, 2009; 27: 741-743
  • Philos Trans R Soc Lond B Biol Sci, 2009; 364: 2079-2096
  • PLoS One, 2011; 6: e18973
  • Birth Defects Res A Clin Mol Teratol, 2011; 91: 867-872
  • Environ Health Perspect, 2009; 117: 1945-1952
  • Environ Health Perspect, 2010; 118: 273-277
  • Food Addit Contam, 2002; 19: 796-802
  • Environ Health Perspect, 2011; 119: 914-920

BPA-lichaamsbelasting

Fabrikanten en overheidsinstanties verdedigen het gebruik van BPA met het argument dat het snel en effectief uit het lichaam wordt verwijderd. Maar een schokkend nieuw onderzoek suggereert het tegendeel.
Onderzoekers van de universiteit van Missouri analyseerden BPA-concentraties in muizen die door de dag heen een vast dieet kregen met toevoeging van BPA. Dit zou de situatie in de werkelijkheid moeten weerspiegelen. Zij vergeleken de resultaten met het BPA-gehalte van muizen die in één keer aan een dosis werden blootgesteld (bolus), wat een meer gangbare onderzoeksmethode is. Zij vonden een verhoogde opname en stapeling van BPA in de muizen die de stof verspreid over de dag kregen.

‘Onze gegevens zouden kunnen verklaren waarom – ondanks het feit dat mensen BPA in één dosering snel kunnen elimineren – dit bij mensen die voortdurend blootstaan aan deze hormoonverstorende stof blijkt te leiden tot constante aantoonbare concentraties in hun bloedserum of -plasma’, aldus de onderzoekers¹.

¹ Environ Health Perspect, 2011; 119: 1260-1265

Uit medisch dossier februari 2012